Tijdperk Snorri

Onderstaande verhalen gaan over mijn IJslandse hond Snorri, het hoofdpersonage van de column Het tijdperk Snorri die ik sinds 2018 schrijf voor Onze IJslander, het clubblad van de Vereniging IJslandse hond.

Deel 4: Een echt gezelschapsdier

We waren gewaarschuwd, daar heeft het niet aan gelegen. Onze fokker Louwke gaf aan dat sommige IJslanders moeite hebben met het alleen zijn. En in het verhelderende boekje De IJslandse hond: van Aanhankelijk tot Zelfstandig stond het ook vermeld: ʻAlleen – een woord dat de IJslandse hond verfoeit’.

Dus toen we onze Snorri als schattig bolletje mee naar huis namen, wisten we dat we veel aandacht moesten besteden aan het alleen zijn. Maar we waren optimistisch: we hadden al eens een hondje grootgebracht, onze lieve sheltie Pelle die alleen zijn weliswaar niet leuk vond, maar zich wel koest hield. En als we meteen met de training begonnen, dan moest het toch lukken om Snorri aan te leren dat hij een paar uurtjes probleemloos in zijn eentje thuis kon zijn.

Zo denk je dan in je argeloosheid. Maar een IJslandse hond is van een ander kaliber dan een sheltie, bleek al snel. Alleen al die bench: prima om in te liggen, maar onder twee voorwaarden: het deurtje mocht NIET dicht en iedereen moest in de kamer zijn. Het kostte ons nogal wat tijd om Snorri te leren dat het niet erg was om alleen in een kamer te zijn terwijl zijn baasjes elders in huis waren. Een overwinning dachten wij, nu zou het alleen thuis zijn ook wel lukken. Hoe verkeerd kun je denken. Intelligent als Snorri is, had hij al snel door dat er maar één deur van belang was om in de gaten te houden, en dat was de voordeur. Als daar iemand uit verdween, was het foute boel. Ons huis heeft het nadeel dat onze tuin besloten is en geen achteruitgang kent. Dus de voordeur is echt de enige deur waardoor we het huis kunnen verlaten, en die hield Snorri strak in de gaten. Talloze methodes hebben we gebruikt om Snorri het alleenthuiszijn aan te leren, ook de expert van de hondenschool werd ingeschakeld. Vijftig keer per dag het huis in en uit gaan, bijvoorbeeld: werkt niet en is bovendien voor jezelf ook erg onrustig. Dan een andere aanpak: de hond regelmatig een uur of drie, vier alleen laten en dat volhouden tot hij eraan gewend is: het leverde tien geluidsopnames op van drie, vier uur aanhoudend geblaf en gejoel. Een bandje met onze stemmen opnemen en dat laten afspelen: dat heeft Snorri meteen door. Lekkere dingetjes verstoppen: worden pas opgezocht als we weer thuis zijn. Een andere hond als gezelschap: stereogeblaf. Gordijnen dicht. Gordijnen open. Muziek aan. Muziek uit. In de keuken, met of zonder speeltje. Enzovoort, enzovoort. Na anderhalf jaar ploeteren en na weer tevergeefs een methode te hebben uitgeprobeerd, zei ik ’s avonds tegen mijn man: ʻHet gaat niet lukken. Snorri kan echt niet leren om alleen thuis te zijn.’ʻDus we kunnen hem nooit een uurtje alleen laten?’ vroeg mijn man verschrikt. ʻNee,’ zei ik. ʻMaar we doen hem niet weg!’ was zijn reactie.

Daar waren we het dus over eens. Nu plan A niet was gelukt, moesten we overgaan op plan B: zelf thuis blijven of een oppas regelen. Nu helpt het natuurlijk dat ik voor mijn werk thuis kan blijven en dat ook mijn man zich redelijk goed kan vrijmaken. En verder is Snorri makkelijk in de omgang met anderen: hij gaat graag overal mee naartoe en vindt een uurtje bij de buren of een andere oppas geen enkel bezwaar. Hij is wat je noemt een echt gezelschapsdier!

En nu verkeert Snorri al jaren 24 uur per dag, 7 dagen per week in menselijk gezelschap. Het bevalt hem prima. Voor ons is het passen en meten, eigenlijk is het alsof we weer een klein kind in huis hebben, maar ach, dat hebben we er graag voor over. Want onze Snorri is nu eenmaal de liefste hond van de wereld!

Snorri met zijn zusje Dagrún. In onze afwezigheid klonk er stereogeblaf.

Deel 3: Dat is de natuur

Snorri zal een week of elf oud geweest zijn, en zo’n drie week bij ons, toen hij voor het eerst een poes zag. (Bij fokker Louwke was deze diersoort onbekend). Poes en hond staarden elkaar een paar tellen aan, daarna koos de poes het hazenpad en wist Snorri met wat voor doel poezen op aarde waren: om op te jagen! Omdat dit voorval in de inprentingsfase plaatsvond, zat het meteen in zijn hersens opgeslagen en helaas hebben we het nooit meer kunnen rechttrekken. Vanaf die tijd is het feest: zodra Snorri een poes ziet, is het blaffen en grommen geblazen. In de wijk hebben we hem altijd aan de lijn, maar dan nog is het zaak de poes eerder te spotten dan Snorri doet, anders lopen we het risico op een arm uit de kom.

Ook in het aangrenzende park, waar honden mogen loslopen, moeten we op onze hoede zijn, want het is een fijn jachtterrein voor de poezen uit de buurt. En omdat Snorri een poes nu eenmaal sneller ruikt dan dat wij hem zien, gebeurt het nogal eens dat Snorri opeens een sprint trekt naar de struiken en daar woest blaffend door het gebladerte rent. Maar omdat poezen in de regel de hoogte in gaan, kan dat weinig kwaad. Snorri kan veel, maar bomen klimmen is er niet bij, dus na een paar minuten vruchteloos geblaf geeft hij het meestal op en sluit hij zich weer bij ons aan.

Dowars door het park loopt een mooie laan waar uitsluitend voetgangers en fietsers mogen komen. Honden mogen daar officieel niet los, maar ja, veel kwaad kunnen ze daar niet als ze eenmaal weten dat ze niet op eigen houtje de weg mogen oversteken. De meeste honden lopen daar dan ook los.

Op een mooie avond liep ik daar ook met onze Snor. Doodgemoederd legden we ons rondje af totdat Snorri opeens bleef staan, het neusje in de lucht. Ik besefte wat het vervolg zou zijn, maar kon niet meer ingrijpen. Snorri nam een spurt en verdween luid blaffend in de struiken. Woest geritsel in het struikgewas gaf aan waar de bron van Snorri’s opwinding zat: een poesje dat op muizenjacht was. Het diertje wist geen betere oplossing dan een boom in te schieten en zijn heil op een hoge tak te zoeken, waar het luid miauwend bleef zitten. Aan de voet van de boom stond Snorri vervaarlijk te blaffen.

Nu bevond deze boom zich pal aan de laan en de miauwende poes en de blaffende hond trokken natuurlijk de aandacht van de passanten (en dat waren er veel op die mooie avond). De reacties laten zich raden. ʻAch, dat arme poesje!’ zei een boze meneer met een venijnige blik naar mij. Ik kon me niet inhouden en reageerde met de woorden:

ʻZegt u nou ook “Ach, dat arme muisje?”’

ʻNee, dat is de natuur,’ verklaarde de meneer zelfvoldaan.

ʻMaar is een hond die een poes achterna zit, niet ook gewoon de natuur?’ vroeg ik door.

Dit was een onverwacht moeilijke vraag en het bleef een tijdje stil. Maar opeens verhelderde ’s mans gelaat en klonk het raadselachtig: ʻVoor de hond misschien wel.’

Inmiddels had er Snorri genoeg van gekregen en zich weer bij me gevoegd. Het liep namelijk tegen etenstijd en hoeveel poezen zich in bomen of struiken ook schuilhouden, voor Snorri is eten de eerste levensbehoefte. Ook dat is de natuur.

Deel 2: Kunstjes

Snorri was in ons leven gekomen en we wilden hem goed opvoeden. Een zo natuurlijk mogelijke opvoeding en zéker geen kunstjes, een IJslandse hond is tenslotte geen circushond. Dus géén pootjes geven. Dat hebben we hem ook heus niet geleerd, maar een vriend van ons die een dagje op Snorri paste, wel. ‘Hij had het zó door!’ zei onze vriend trots. Snorri leek het wel naar zijn zin gehad te hebben en je moet zuinig zijn op goede oppassen, dus we slikten onze opmerkingen in. Maar hij mag níét bedelen, bezwoeren we elkaar. Daar hielden we strak de hand aan, onze familie, vrienden en kennissen kregen te horen dat ze het lieve diertje buiten zijn maaltijden om niets mochten geven en zelfs de pootjes-vriend hield zich daar aan (nou ja, op het rituele plakje worst bij begroeting na dan). Onze aanpak leek vruchten af te werpen, want Snorri vertoonde geen neiging tot bedelen.

Maar toen werd het zomer. Het park stroomde vol picknickende mensen en zelfs in het losloopgebied streken groepjes studenten neer. Ik liep er met Snorri langs. Opeens ging het neusje de lucht in. ‘Hier, Snorri!’ zei ik nog, maar gek genoeg bleek ik me opeens buiten zijn gehoorsafstand te bevinden. Vastbesloten zette hij koers naar een groepje leuke jonge mensen die een eindje verderop van de zon genoten, met een kleed vol lekkernijen tussen zich in.

Snorri ging doordacht te werk. Hij stoof er niet als een dolle dries op af, nee, heel voorzichtig drentelde hij naar het groepje toe, het kopje deemoedig omlaag, het staartje in neutrale stand. Zachtjes maar gestaag naderde hij het groepje. Totdat iemand hem opmerkte: ‘Ach, wat een lief hondje!’ De oortjes spitsten zich, het staartje begon zachtjes te kwispelen. ‘Wat een schatje!’ Meer gekwispel en ja hoor, daar staken diverse mensen een arm uit en gewillig liet Snorri zich aaien, met een schuin oog op de uitgestalde etenswaren. ‘Wat is hij zacht! Wat is hij lief!’ Snorri liet zich van zijn aanbiddelijkste kant zien, maar onwillekeurig schoot het tongetje uit zijn mond waardoor hij zijn ware bedoelingen onthulde. ‘O, hij heeft honger! Kijk eens, hij geeft een pootje! Wil je een stukje worst, hondje? Hier, eet maar lekker op! En nu weer terug naar het baasje hoor.’

Met gemengde gevoelens sloeg ik het tafereel gade. Ik stond te ver weg om in te grijpen, maar toen Snorri de versnapering had verslonden, gebeurde het wonder: hij had opeens weer alle aandacht voor mij. De peterselie was uit zijn oren verdwenen en enthousiast draafde hij mijn kant op. Op zo’n vrolijke hond kun je niet boos zijn. ‘Boef,’ fluisterde ik terwijl ik hem voor de zekerheid maar aanlijnde. Snorri trippelde opgewekt met me mee, af en toe zijn bek aflikkend. Weer een kunstje geleerd!

Deel 1: Hoe het begon

`Heb je wel eens aan een IJslander gedacht?’ Met deze vraag begon voor ons het tijdperk Snorri. Onze sheltie Pelle was op dertienjarige leeftijd overleden en aanvankelijk waren we van plan om geen nieuwe hond meer te nemen. Het hondenbeleid van onze gemeente was de laatste jaren enorm aangescherpt en het was ook wel fijn om geen rekening met een hond te hoeven houden bij het plannen van uitstapjes en vakanties. Maar géén hond hebben heeft ook nadelen, en hoe langer de periode zonder hond duurde, hoe zwaarder die nadelen gingen wegen. Toen een bevriende hondenbaas me vroeg of we iets voelden voor een IJslandse hond won ik bij haar dan ook informatie in. Ze kende een fokker van IJslandse honden en wilde ons wel in contact met haar brengen.

Zo ging het balletje rollen en niet veel later maakten we kennis met Louwke en haar roedel honden, die ons vrolijk blaffend begroetten. ‛Ze blaffen wel veel,’ zei Louwke eerlijk. Maar ja, dat doen shelties ook; het klonk ons vertrouwd in de oren. Wat ons opviel was dat de honden ongelooflijk
vriendelijk waren en totaal niet bang voor onbekenden. Dat was wel een verschil met shelties! De dieren kwamen gezellig tegen ons aanliggen, lieten zich volop aaien en het laat zich raden: we waren verkocht. We konden geen minpuntjes ontdekken, of het moest zijn dat ze niet goed lang alleen konden zijn. Maar we hadden de roze bril al op en werden het eens met Louwke: als er in een volgende nestje een reutje zat, zou die voor ons zijn.
Snorri, voluit Dyr-Snorri frá Friđarstöđum, dankte zijn naam aan onze dochters. Toen ik hun vertelde dat we een IJslandse hond zouden krijgen en dat die een IJslandse naam moest hebben, wisten ze meteen welke: Snorri natuurlijk, naar de grote dichter Snorri Sturluson; niet omdat ze zo’n ontzag voor de oude dichter hadden, maar omdat ze zich bijna doodgelachen hadden toen ik hun tijdens onze vakantie op IJsland kennis van land en volk wilde bijbrengen en deze naam noemde.
Snorri kwam eind augustus 2012 bij ons. Een klein, dapper hondje dat in sneltreinvaart ieders hart won, alles en iedereen geweldig vond en nergens bang voor was. Nergens? Nou ja, alleen zijn vond hij inderdaad niet leuk. Maar hij was nog jong, dat zou wel wennen.

Met zo’n aanbiddelijke pup maak je snel vrienden; Snorri werkte als de spreekwoordelijke stroop op de vliegen. Iedereen stopte om een praatje te maken en kinderen uit de buurt stonden om de haverklap op de stoep om met het hondje te spelen. De socialisatie ging als vanzelf. Maar dat er in dat lieve, kleine hondje een flinke deugniet school, werd me wel duidelijk toen ik een keer met hem over een pad liep waar een flinke modderplas lag. Snorri liep er in eerste instantie nietsvermoedend doorheen. Verschrikt keek hij om, helemaal nat en vies vanwege de opspattende modder. Maar opeens verscheen er een vrolijk lichtje in zijn ogen. En met een blik van ‛joepie, dát is leuk!’ keerde hij om om er opnieuw op volle snelheid doorheen te rennen. In plaats van een licht grijzig hondje stond er nu een pikzwart mormeltje voor me, dat me met pretoogjes aankeek. Oei, dacht ik, daar krijgen we nog heel wat mee te stellen…